Een boomgroep kan meetellen als subsidiabel landschapselement binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Maar wanneer voldoet een groep bomen aan de voorwaarden? Recente uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven geven meer duidelijkheid over de voorwaarden.
Van een boomgroep is sprake wanneer meerdere bomen en struiken samen een herkenbaar, aaneengesloten element vormen. De boomkruinen raken elkaar en er is sprake van ondergroei. Om mee te tellen voor het GLB moet de boomgroep voldoen aan de voorwaarden voor subsidiabele landschapselementen. Het element moet grenzen aan landbouwgrond of een ander subsidiabel landschapselement, ter beschikking staan aan de landbouwer, een maximale oppervlakte van 1,5 hectare hebben en correct geregistreerd worden in de Gecombineerde opgave.
Voor het vaststellen van de oppervlakte van het element in verband met de maximale omvangseis moet gekeken worden naar de totale oppervlakte van het element, niet naar wie het eigendom of beheer heeft. Een element van bijvoorbeeld in totaal 2 hectare, waarvan twee landbouwers elk 1 hectare in beheer hebben, heeft desondanks een te grote omvang. Wel moet aan de hand van de feitelijke situatie ter plaatse goed beoordeeld worden of er sprake is van één landschapselement of van meerdere. Een boomgroep groter dan 1,5 hectare mag door RVO niet zonder voldoende onderbouwing als één geheel worden beschouwd wanneer afzonderlijke elementen, zoals struweelranden of een ander bomenbestand, herkenbaar zijn.

