Veel mestregels die voortvloeien uit de derogatie, waarvan Nederland tot dit jaar gebruik kon maken, blijven bestaan. Daarnaast worden, doordat het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn niet is vastgesteld, de in het concept voorgenomen wijzigingen van regelgeving niet doorgevoerd. Dit betekent ook dat de voorgenomen wijzigingen die een aanpassing zouden hebben betekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking, zoals de aanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan. Dat schrijft de minister van LVVN in een brief aan de Tweede Kamer.
Een en ander betekent in het algemeen dat in 2026 alle mestregels gelden die op 31 december 2025 golden. Dit betreft de regels zoals opgenomen in de Meststoffenwet of de daarop gebaseerde regelgeving (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm)), de mestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling.
Hieronder volgt een overzicht:
- De met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) blijven gelden, inclusief de bijbehorende korting op de stikstofgebruiksnorm.
- De mestproductieplafonds (nationaal en sectoraal) blijven gehandhaafd.
- Alle landbouwbedrijven blijven verplicht een bemestingsplan op te stellen. De verplichting voor derogatiebedrijven om het bemestingsplan binnen zeven dagen te wijzigen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, komt te vervallen.
- De verplichting dat alle landbouwbedrijven sinds 1 januari 2025 gebruik moeten maken van het elektronisch mestregister blijft gelden.
- De verplichting tot het aanhouden van bufferstroken blijft gelden voor het mestbeleid en als conditionaliteit voor GLB-deelnemers.
- De activiteiten in het kader van de versterkte handhavingsstrategie, waaronder het geautomatiseerde systeem voor mesttransporten (rVDM), worden onverminderd voortgezet.
- De algemene verplichtingen voor het scheuren van grasland op zand- en lössgrond blijven gelden. Dit betreft onder andere de momenten waarop grasland mag worden gescheurd en de hoogte van de verlaging van de stikstofgebruiksnorm op zand- en lössgronden (50 kg stikstof per hectare bij graslandvernieuwing en 65 kg stikstof per hectare voor de teelt van maïs na gescheurd grasland).
- De voorwaarde over het meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloemigen is verwerkt in de huidige stikstofgebruiksnormen, en blijft daarmee ook gelden.
- Dierlijke mest moet nog steeds emissiearm worden aangewend. De voorwaarde voor derogatiebedrijven dat een sleepvoetbemester alleen mag worden gebruikt als de temperatuur 20 graden Celsius of hoger is, is niet meer van toepassing.
- Aflopende regels en voorwaarden voor bedrijven die in 2025 gebruikmaakten van derogatie:
- Eis 80% grasland.
- Niet toegestaan gebruik fosfaatkunstmest.
- Verplichting tot het nemen van grondmonsters.
- De verplichting om het vernieuwen van grasland na 31 mei op klei en veen bij RVO te melden, waarbij op deze percelen een korting van 50 kg op de stikstofgebruiksnorm gold. Deze verplichting geldt per 2026 alleen nog voor percelen op zand- en lössgronden.
- De verplichting in NV-gebieden op klei- en veengronden om na maïs een vanggewas te telen.
Naast de hierboven genoemde regels zullen de reeds geïmplementeerde regels uit het 7e actieprogramma blijven gelden, zoals de stimulering van de teelt van vanggewassen op de zand- en lössgronden, de 1-op-4-rotatieverplichting met rustgewassen en de stimulering van organisch stofrijke meststoffen.

