Landbouwers zijn verplicht op hun landbouwgrond langs waterlopen bufferstroken aan te houden waarop bemesting verboden is. Twee landbouwers stelden voor de rechtbank dat de wetgeving waarin de bufferstrookverplichting is opgenomen een ongeoorloofde inmenging in hun eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of artikel 17 EU-Handvest is en daarmee onrechtmatig is. De rechtbank oordeelde echter dat de bufferstrookverplichting niet onrechtmatig is.
De bufferstrookverplichting is ingevoerd, omdat de Europese Commissie dit als voorwaarde heeft opgenomen in de op 30 september 2022 aan Nederland verleende derogatiebeschikking.
Niet in geschil was dat de bufferstrookverplichting een regulering van het eigendomsrecht van de landbouwers inhoudt. De verplichting betekent immers dat zij een gedeelte van hun percelen niet mogen bemesten, zodat zij de bufferstrook niet naar eigen inzicht voor de exploitatie van hun bedrijven kunnen gebruiken.
De rechtbank wees erop dat landbouwers ook te maken hebben met teeltvrije zones, die ook niet mogen worden bemest. Na aftrek van deze teeltvrije zone kon de ene landbouwer circa 2% van de totale oppervlakte van zijn bedrijf niet bemesten en de andere landbouwer circa 1,6% Deze percentages zijn relatief klein en kwamen de rechtbank op zichzelf niet als zeer ingrijpend voor.
Bovendien bestaat de Nitraatrichtlijn, waarvan de bufferstrookverplichting een uitvloeisel is, al dertig jaar en hadden bedrijven dan ook al langere tijd rekening moeten houden met overheidsmaatregelen op dit punt.
Ten slotte betoogden de landbouwers dat, aangezien de derogatiebeschikking per 1 januari 2026 is vervallen, er geen grondslag meer bestaat voor de bufferstrookverplichting. Dit betoog verwierp de rechtbank, omdat zij het Besluit activiteiten leefomgeving zelfstandig had getoetst. Dat oordeel geldt ook voor de huidige situatie. Of het wenselijk is of nodig is om de bufferstrookverplichting (ongewijzigd) in stand te houden, is een vraag van beleid, die door de wetgever moet worden beantwoord.

