In de rechtspraak geldt in beginsel dat een partij die in bezwaar of (hoger) beroep gaat, niet slechter mag worden van die actie dan wanneer hij niets had gedaan, het zogenaamde verbod op reformatio in peius. Maar op dit beginsel gelden enkele uitzonderingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een bezwaar of beroep tegen een vastgestelde GLB-premie.
Een melkveehouder had in 2022 de basis- en vergroeningsbetaling aangevraagd op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Hij was het niet mee eens met de vaststelling en stelde daarom bezwaar in bij RVO. Dit had tot gevolg dat de basispremie over een grotere oppervlakte werd toegekend. Maar daardoor had de melkveehouder te weinig ecologisch aandachtsgebied ingericht, met als gevolg dat hij flink werd gekort op de vergroeningsbetaling. Per saldo moest hij daardoor zelfs een bedrag terugbetalen.
Tijdens de beroepsprocedure wees hij op het beginsel van reformatio in peius. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde echter dat geen enkele rechtsregel verhindert dat een beslissing in de bezwaarfase ook ongunstiger kan uitpakken voor de indiener, mits de overheid die bevoegdheid ook buiten de bezwaarprocedure heeft. In dit geval vloeide de vaststelling van het te betalen bedrag rechtstreeks voort uit de toepassing van de EU‑verordeningen. RVO is verplicht deze regels toe te passen. Het College verklaarde het beroep daarom ongegrond.

